Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online


 

E-mail deze uitspraak

Uitspraak waar naar gelinkt wordt vanuit de e-mail die gestuurd zal worden:

ECLI:NL:HR:2016:2304
Hoge Raad, 15/00165

Inhoudsindicatie:

1. Schadevergoedingsmaatregel opgelegd terwijl de benadeelde partijen in hun vordering niet ontvankelijk zijn verklaard, art. 36f, tweede lid, Sr. 2. Vorderingen benadeelde partijen en faillissement. Ad 1. Het hof heeft kennelijk geoordeeld dat voldaan is aan het vereiste ex art. 36f.2 Sr dat de verdachte jegens de b.p. naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht. Dat oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is toereikend gemotiveerd. Daaraan doet niet af dat het hof de b.p. n.o. heeft verklaard in hun vorderingen omdat het beoordelen daarvan een onevenredige belasting van het strafgeding zou opleveren. Ad 2. Daarbij verdient opmerking dat de daaraan ten grondslag liggende overweging van het hof omtrent de onduidelijkheid "welk deel van de vorderingen in het faillissement zijn meegenomen" berust op het misverstand dat het antwoord op de vraag of de vorderingen al dan niet ter verificatie in het faillissement zijn ingediend betekenis heeft voor de toewijsbaarheid van die vorderingen nadat het faillissement wegens gebrek aan baten - dus zonder dat vanuit de boedel betalingen konden worden verricht aan de concurrente schuldeisers - is opgeheven.

Van


Aan


Opmerkingen (optioneel)


E-mail

Terug