Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online

U dient ingelogd te zijn om favorieten te kunnen toevoegen aan Mijn Jure
U kunt zich hier gratis registreren
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Instantie:
Vindplaatsen:

Inhoudsindicatie:

Beklag, beslag, art. 94a.3 en 4 Sv. HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2010:BL2823. De Rb. heeft blijkens zijn overweging t.a.v. het salaris dat in de periode vanaf juni 2009 tot 31 januari 2012, uit hoofde van een arbeidsovereenkomst bij een van de coffeeshops van X, aan klaagster - die in die periode met X een relatie onderhield - is betaald, geoordeeld dat “van een schijnconstructie gesproken kan worden”. V.zv. de Rb daarmee tevens als haar oordeel tot uitdrukking heeft willen brengen dat zich hier de situatie van art. 94a.3 Sv voordoet, is dat oordeel ontoereikend gemotiveerd. De Rb heeft voorts t.a.v. de aan klaagster betaalde uitkering uit de overwaarde van een woning, geoordeeld dat “de klaagster wist, althans redelijkerwijs kon vermoeden dat de uitwinning van het geld onder X zou worden gefrustreerd”. Hierin ligt als oordeel besloten dat er voldoende aanwijzingen bestaan dat de uitkering aan de klaagster is gaan toebehoren met het kennelijke doel de uitwinning daarvan te bemoeilijken of te verhinderen. Dit oordeel behoeft nadere motivering.

Gepubliceerde uitspraken in deze zaak:

Uitspraak



9 september 2014

Strafkamer

nr. S 12/04862 B

KD/EC

Hoge Raad der Nederlanden

Beschikking

op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de Rechtbank Rotterdam van 28 augustus 2012, nummer RK 12/188, op een klaagschrift als bedoeld in art. 552a Sv, ingediend door:

[klaagster] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1973.

1 Geding in cassatie

Het beroep - dat kennelijk niet is gericht tegen de bestreden beschikking voor zover daarbij het klaagschrift gegrond is verklaard - is ingesteld door de klaagster. Namens deze heeft mr. P. Scholte, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal G. Knigge heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot zodanige beslissing met betrekking tot verwijzing of terugwijzing als de Hoge Raad gepast zal voorkomen.

2 Beoordeling van het middel

2.1.

Het middel klaagt dat de Rechtbank bij de boordeling van het klaagschrift een onjuiste maatstaf heeft toegepast, althans haar oordeel dat het klaagschrift ongegrond moet worden verklaard, onvoldoende heeft gemotiveerd.

2.2.

De Rechtbank heeft het namens de klaagster ingediende klaagschrift, strekkende tot opheffing van het op de voet van art. 94a, derde en vierde lid, Sv gelegde conservatoir beslag op een aantal bankrekeningen, gedeeltelijk gegrond verklaard en gelast dat aan de klaagster een bedrag van € 12.250,- wordt terugbetaald, en het klaagschrift voor het overige ongegrond verklaard. De Rechtbank heeft daartoe het volgende overwogen:

"De rechtbank heeft naast het klaagschrift gezien het raadkamerdossier en het aanhoudingsproces-verbaal d.d. 1 mei 2012, waaruit blijkt dat op 18 oktober 2011 onder klaagster - in onderzoek tegen de verdachte [betrokkene] - in beslag werd genomen:

- bankrekeningnummer [001];

- bankrekeningnummer [002] (voormalige Fortis rekening);

- bankrekeningnummer [003] (voormalige Fortis rekening);

- bankrekeningnummer [004] (voormalige Fortis rekening);

- bankrekeningnummer [005] (voormalige Fortis rekening).

(...)

Inhoud van de klacht

De klaagster beklaagt zich over het uitblijven van een last tot teruggave van de in beslag genomen bankrekeningnummers aan de klaagster stellende

- zakelijk weergegeven - dat deze bankrekeningnummers aan haar toebehoren.

Volgens de raadsman is er maar één criterium relevant en dat is of er voldoende aanwijzingen bestaan om aan te nemen dat het geld het doel heeft het frustreren van een bepaald verhaal en dan moet er ook sprake zijn van wetenschap. Op het moment dat klaagster het geld ontvangt, moet zij weten dat er sprake is van een frustratie. Daar is geen sprake van. Op het moment dat het geld haar toebehoorde, was er geen beslag aan de hand. Het doet er niet toe waar het geld in eerste instantie vandaan komt. Dat er sprake is van een schijnconstructie, doet er niet toe. De stelling dat aan klaagster op 28 juni 2011 een groot geldbedrag wordt overgemaakt als schijnconstructie, gaat niet op als klaagster een gedeelte terugstort omdat [betrokkene] meer geïnvesteerd had in het huis dan zijzelf. Als zij wetenschap had gehad, dan zou zij dit niet gedaan hebben.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie deelt mede dat er een splitsing gemaakt dient te worden in reactie op het verweerschrift. Het ene deel betreft het beslag op de belastingteruggave en het andere betreft de schijnconstructie die [A] zou zijn. Zij is van mening dat de verdediging ten onrechte stelt dat het Openbaar Ministerie beslag heeft gelegd op de belastingteruggave.

Op rekeningnummer [001] staat een saldo van € 31.400,00 en daarvan heeft de raadsman in een brief geschreven d.d. 24 november 2011 dat de overwaarde van het huis daarop terecht is gekomen.

Rekeningnummer [002] betreft geen rekening, maar is een assurantienummer en daarop heeft geen beslag plaatsgevonden.

De overige genoemde rekeningnummers hebben een beperkt saldo. Het beslag op deze rekeningnummers is toegestaan nu het afkomst vereiste is komen te vervallen en er sprake is van vermenging met andere rekeningen. De officier van justitie is van oordeel dat de belastingteruggave aan klaagster teruggegeven kan worden, maar het overige niet.

De stelling dat [A] wel of niet een schijnconstructie zou zijn, is voldoende onderbouwd in het verweerschrift d.d. 1 mei 2012 van de officier van justitie en het proces-verbaal die door de politie is opgemaakt. Er zijn voldoende redenen om aan te nemen dat het een schijnconstructie betreft.

Het pand aan de [a straat] is in mei 2011 verkocht. Op 28 juni 2011 wordt de overwaarde overgemaakt op de rekening en op 29 juni 2011 is er een overeenkomst opgesteld waarin het bedrag € 50.000,00 wordt vermeld. Dat is op zich een opmerkelijke overeenkomst te noemen. Dit is het achteraf vastleggen van een bepaalde constructie. De raadsman heeft verklaard dat een schijnconstructie niet van belang is in het kader van artikel 94a lid 3 van het Wetboek van Strafvordering. Maar een van de toetsingskaders is dat klaagster niet zelf verdachte hoeft te zijn, maar dat er sprake is van een verhulconstructie.

De officier van justitie bestrijdt niet dat klaagster bij [A] heeft gewerkt, maar het loon dat zij heeft ontvangen is niet in overeenstemming met de werkzaamheden die zij heeft verricht. Zij blijft bij de stelling dat er sprake was van een schijnconstructie.

Beoordeling van de klacht

De rechtbank overweegt als volgt:

Het onderzoek in raadkamer naar aanleiding van een klaagschrift als bedoeld in art. 552a Sv draagt een summier karakter. In de beklagprocedure is geen plaats voor het treden in de mogelijke uitkomst van een nog te voeren hoofdzaak of ontnemingsprocedure, omdat immers het dossier nog niet compleet is.

Daarnaast moet worden voorkomen dat de beklagrechter vooruit loopt op het in de hoofd- of ontnemingszaak te geven oordeel.

In dit summiere kader is naar het oordeel van de rechtbank geen plaats voor het horen van getuigen zoals door de raadsman van de klaagster is verzocht. De rechtbank wijst dat verzoek dan ook van de hand.

Bij de beoordeling van het klaagschrift gericht tegen een beslag als bedoeld in art. 94a, eerste of tweede lid, Sv dient te worden onderzocht

a. of er ten tijde van de beslissing op het klaagschrift sprake was van verdenking van of veroordeling wegens misdrijf waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd en

b. of zich niet een geval voordoet dat het hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, aan de verdachte een verplichting tot betaling van een geldboete dan wel de verplichting tot betaling van een geldbedrag ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel zal opleggen.

Bovenstaande toetsingsmaatstaven dienen volgens de Hoge Raad in het overzichtsarrest van 28 september 2010 (LJN: BL 2823) te worden gehanteerd.

De rechtbank is uit het onderzoek ter zitting en na kennisname van de stukken van oordeel, dat het hierboven onder a genoemde criterium positief moeten worden beantwoord en dat zich niet het geval als hierboven onder b wordt genoemd, voordoet.

Bij een conservatoir anderbeslag, waarvan in casu sprake is, moet tevens worden beoordeeld of het beslag voldoet aan de in art. 94a lid 3 en 4 Sv gestelde vereisten, kort gezegd dat van verhaalsfrustratie en van wetenschap.

Uit het behandelde ter zitting en uit de stukken is gebleken, dat de klaagster gedurende een aantal jaren een relatie heeft gehad met de in de strafzaak onder parketnummer 10/600203-08 genoemde verdachte [betrokkene]. De klaagster heeft gedurende de periode waarin zij een relatie onderhield met [betrokkene], van deze gelden geschonken gekregen en werd in haar levensonderhoud voorzien door hem. Zij beschikte over een PGB voor haar zoon, dat naar de rechtbank begrijpt gedeeld werd met de vader van de zoon, bij wie die zoon ook regelmatig verbleef.

In de periode vanaf juni 2009 tot 31 januari 2012 is aan de klaagster een nettosalaris betaald van circa € 3.300,00 per maand uit hoofde van een arbeidsovereenkomst van de klaagster bij een van de coffeeshops van [betrokkene]. In zijn totaliteit zou de klaagster circa € 105.600,00 hebben ontvangen.

Het is de rechtbank niet duidelijk geworden dat de klaagster, die slechts twee uren per dag werkzaamheden in de coffeeshop van [betrokkene] verrichtte, een met dat salaris enigszins overeenkomende arbeidsprestatie leverde. Met de officier van justitie is de rechtbank van mening dat hier dan ook van een schijnconstructie gesproken kan worden. Ook de uitkering van het bedrag van € 50.000,00 uit de overwaarde van de woning aan de [b straat] te [woonplaats], die naar het zich laat aanzien onverplicht was, althans achteraf pas in een overeenkomst is vastgelegd, wekt de schijn dat de klaagster wist, althans redelijkerwijs kon vermoeden dat de uitwinning van het geld onder [betrokkene] zou worden gefrustreerd.

Blijkens de overgelegde voorlopige aanslag Inkomstenbelasting 2010, aanslagnummer [006], gedagtekend 6 september 2011, is door de belastingdienst terugbetaald aan de klaagster een bedrag van € 12.250,00. De rechtbank is van oordeel, dat op de ontvangst van dat bedrag de hierboven genoemde criteria niet van toepassing zijn en dat dat bedrag derhalve dient worden teruggeven aan de klaagster. Het beklag zal derhalve ten belope van dat bedrag gegrond worden verklaard. Voor het overige zal het klaagschrift ongegrond worden verklaard op grond van bovenstaande overwegingen."

2.3.

Bij de beoordeling van een klaagschrift van de beslagene gericht tegen een beslag als bedoeld in art. 94a, eerste of tweede lid, Sv dient de rechter te onderzoeken a. of er ten tijde van zijn beslissing sprake was van verdenking van of veroordeling wegens een misdrijf waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd en b. of zich niet het geval voordoet dat het hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, aan de verdachte een verplichting tot betaling van een geldboete dan wel de verplichting tot betaling van een geldbedrag ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel zal opleggen.

Indien een derde - als zodanig kan ook gelden degene onder wie het beslag feitelijk is gelegd, maar tegen wie het strafrechtelijk onderzoek niet is gericht - die stelt eigenaar te zijn, op de voet van art. 552a Sv een klaagschrift heeft ingediend, dient de rechter als maatstaf aan te leggen of zich het geval voordoet dat buiten redelijke twijfel is dat de klager als eigenaar van het voorwerp moet worden aangemerkt en daarvan in zijn beslissing blijk te geven. Indien de klager als eigenaar wordt aangemerkt, zal de rechter tevens moeten onderzoeken en daarvan blijk moeten geven of zich de situatie van art. 94a, derde of vierde lid, Sv voordoet. (Vgl. HR 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010BL2823, rov. 2.14-2.15.)

2.4.

Art. 94a, derde en vierde lid, Sv, luidde ten tijde van de beslaglegging op 18 oktober 2011 onder de klaagster als volgt:

"3. Voorwerpen die toebehoren aan een ander dan degene aan wie, in het in het eerste lid bedoelde geval, de geldboete kan worden opgelegd of degene aan wie, in het in het tweede lid bedoelde geval, het wederrechtelijk verkregen voordeel kan worden ontnomen, kunnen in beslag worden genomen indien voldoende aanwijzingen bestaan dat deze voorwerpen geheel of ten dele aan die ander zijn gaan toebehoren met het kennelijke doel de uitwinning van voorwerpen te bemoeilijken of te verhinderen, en die ander dit wist of redelijkerwijze kon vermoeden.

4. In het geval, bedoeld in het derde lid, kunnen tevens andere aan de betrokken persoon toebehorende voorwerpen in beslag worden genomen, tot ten hoogste de waarde van de in het derde lid bedoelde voorwerpen."

2.5.

Het gaat in het onderhavige geval om de vraag of voldaan is aan de in art. 94a, derde lid, Sv gestelde eisen. Daartoe is nodig dat de beklagrechter onderzoekt met inachtneming van het summiere karakter dat het onderzoek in raadkamer in een beklagprocedure kenmerkt of feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die voldoende aanwijzingen opleveren voor het oordeel dat de inbeslaggenomen voorwerpen aan de beslagene zijn gaan toebehoren met het kennelijke doel de uitwinning van die voorwerpen te frustreren en dat de beslagene dat wist of had kunnen weten.

2.6.

De Rechtbank heeft blijkens de hiervoor weergegeven overwegingen ten aanzien van het salaris dat in de periode vanaf juni 2009 tot 31 januari 2012, uit hoofde van een arbeidsovereenkomst bij een van de coffeeshops van de verdachte [betrokkene], aan de klaagster - die in die periode met [betrokkene] een relatie onderhield - is betaald, geoordeeld dat "van een schijnconstructie gesproken kan worden". Voor zover de Rechtbank daarmee tevens als haar oordeel tot uitdrukking heeft willen brengen dat zich hier de situatie van art. 94a, derde lid, Sv voordoet, te weten dat er voldoende aanwijzingen bestaan dat de geldbedragen die als "salaris" aan de klaagster zijn betaald, aan haar zijn gaan toebehoren met het kennelijke doel de uitwinning daarvan te bemoeilijken of te verhinderen en voorts, dat de klaagster dit wist of redelijkerwijze kon vermoeden, is dat oordeel ontoereikend gemotiveerd. Het middel klaagt daarover terecht.

De Rechtbank heeft voorts ten aanzien van de aan de klaagster betaalde uitkering uit de overwaarde van de woning aan de [b straat] te [woonplaats], geoordeeld dat "de klaagster wist, althans redelijkerwijs kon vermoeden dat de uitwinning van het geld onder [betrokkene] zou worden gefrustreerd". Hierin ligt als oordeel van de Rechtbank besloten dat er voldoende aanwijzingen bestaan dat de uitkering aan de klaagster is gaan toebehoren met het kennelijke doel de uitwinning daarvan te bemoeilijken of te verhinderen. Dit oordeel behoeft nadere motivering, nu uit de enkele vaststelling van de Rechtbank dat de uitkering "naar het zich laat aanzien onverplicht was, althans achteraf pas in een overeenkomst is vastgelegd", niet zonder meer volgt dat er voldoende aanwijzingen bestaan dat de betaling daarvan aan de klaagster kennelijk ten doel had het bemoeilijken of verhinderen van de uitwinning van het geld onder [betrokkene]. Ook in zoverre is het middel terecht voorgesteld.

3 Slotsom

Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat de bestreden beschikking - voor zover aan het oordeel van de Hoge Raad onderworpen - niet in stand kan blijven en als volgt moet worden beslist.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden beschikking - voor zover aan zijn oordeel onderworpen -;

wijst de zaak terug naar de Rechtbank Rotterdam, opdat de zaak op het bestaande klaagschrift opnieuw wordt behandeld en afgedaan.

Deze beschikking is gegeven door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman en H.A.G. Splinter-van Kan, in bijzijn van de waarnemend griffier S.C. Rusche, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van9 september 2014.


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature